Minder doen, meer zijn

In het najaar van 2014 hield ik een sermoen, een zogeheten lekenpreek, in de serie: In de houten broek, in de Geerteskerk te Utrecht. Onderstaand is daar de tekst van. Let wel, het betrof een preek, een uitgesproken gedachtegang, het betreft dan ook spreektekst, nu ja: preektekst.

“Minder doen, meer zijn – over zin en zijn in taal.”
Dames en heren, deze titel floepte er een paar weken geleden uit voordat ik er erg in had, en nu zit ik met de gebakken peren. Ik kan hier natuurlijk een half uur niets doen, om mijn sermoen onder deze noemer aanschouwelijk te maken – in analogie met het broodje-aap verhaal van de examenkandidaat Nederlands die een epistel moest schrijven met de titel: ‘Wat is lef’ en opschreef: ‘Dit is lef’, en zijn blaadje inleverde – dat zou ik kunnen doen, inderdaad. Maar ik ben bang dat het dan wat weinig zou worden, dus zal ik meer moeten doen, om mijn minder doen en meer zijn, aan te tonen; in taal nog wel. Mijn ondertitel: ‘over zin en zijn in taal’, heeft u, bij deze, gered van ruim 30 minuten wederzijds zwijgen en kijken.

Op zich zou het nog interessant geweest zijn ook, hier een half uur niets te doen, alleen maar stil te staan, te zwijgen. Ik heb ontdekt, dankzij deze sermoen, dat allerlei losse gedachten en ideeën die ik in de loop der jaren heb opgedaan en die zonder samenhang leken te existeren, van toepassing zijn op datgene wat ik u nu wil gaan vertellen. Ik heb ontdekt, dat er een golvende lijn zit in veel van wat ik denk, in veel van wat ik doe, in veel van wat ik ben geworden.
En ik begin die lijn bij — fotomodellen!
En vanuit die wereld van fotomodellen hoop ik, via de Fibonacci-reeks en Eminems hiphop-battles, in een vloeiende beweging terecht te komen bij: De Letters van Utrecht, het groeiende gedicht in de straatstenen aan de Oudegracht, dat wekelijks met één letter wordt aangevuld.

Maar eerst die fotomodellen. Fotomodellen vormen volgens mij — en dit is een oude, losse gedachte — de ultieme belichaming van minder doen en meer zijn, samengebald tot een klein stukje leven, tot bijna niets doen en zuiver zíjn, gedurende een-honderdste seconde — of wat de sluitertijd ook moge wezen. Maar binnen die sluitertijd gebeurt er iets bijzonders, het zijn van het model wórdt tot iets: hoer, moeder, bikkel, opa. Het model ís gedurende de sluitertijd, de vastlegging van dat stukje zijn wórdt.
Nu is een honderdste van een seconde wel wat weinig om het over het ‘zijn’ te hebben — op het moment dat de shoot voorbij is, gaat de hoer een broodje kaas eten, en moet opa naar het toilet. Voorbij, oh voorgoed voorbij, is dan dat stukje gestolde tijd van het zijn — het model is gewoon weer iemand geworden die doet.

We zouden de sluitertijd dus flink moeten verlengen om te zien wat er dan gebeurt. Ik heb ooit, gedurende één avond, die sluitertijd opgerekt zien worden tot steeds 5 minuten, en dat was een ware gebeurtenis. Er waren geen fotomodellen bij betrokken, maar deelnemers aan een cabaretcursus, verzorgd door Marius Monkau en Wilfried Speekenbrink tijdens mijn studietijd in Groningen. Ik was toen barman van de USVA, de Parnassos van Groningen, de plek waar studenten nog altijd lessen in de schone kunsten volgen, en de bar zat destijds in het theaterzaaltje zelf, waar deze cursus werd gegeven. Dus ik volgde alles en ik schonk en dronk daarbij.

Een van de eerste opdrachten voor deze cursisten, was steeds per tweetal vijf minuten stilstaan en niks doen voor de rest van de groep. Het was dus steeds vijf minuten wederzijds zwijgen, met dien verstande dat het tweetal pontificaal in het licht stond en nadrukkelijk tot individuen werd gemaakt, terwijl wij, de groep, een anonieme, in duisternis gehulde massa bleven. Wij keken, zij werden bekeken.
Wanneer iemand vijf minuten voor een groep moet staan, zonder iets te zeggen, zonder iets te doen, gebeurt er ontzettend veel. De eerste een à twee minuten, werd er, bijna manisch, volhard in het handhaven van de als eerste gekozen pose, vervolgens werden er nog een of twee andere poses ingenomen, maar langzamerhand was het net of de poses, als losse kledingstukken, van de cursisten afvielen en er de naakte, kwetsbare mens overbleef. Je zag de transformatie van het doen alsof, naar het zijn — je zag hoe doen verdween en zijn werd — je zag het wórden van het zijn.

Nu gaan we die sluitertijd nog verder oprekken. Drie jaar geleden zat performance en video kunstenares Maria Abramovic 736 uren
aan een tafeltje, tijdens de openingstijden van het Museum of Modern Art in New York, dat een retroperspectief aan haar werk wijdde.  Een werk met nogal wat lichamelijk uitputtende performances, om over de geest maar te zwijgen. Voor deze nieuwe performance, getiteld: The Artist is Present, werd het publiek uitgenodigd op een stoel tegenover haar plaats te nemen en haar zwijgend in de ogen te kijken, zolang als het wilde. Ruim 1500 bezoekers hebben hier gehoor aan gegeven en haar voor korte of langere tijd in de ogen gekeken.
Ik heb net al verteld wat er in vijf minuten aan aankijken gebeurt. Op internet circuleren verscheidene foto’s en video’s van betraande en anderszins intens kijkende, poseloze, bijkans naakte bezoekers. De foto’s tonen steeds een moment van zijn, maar de filmpjes laten heel fraai het proces zien, het continue worden van dat zijn. Zijn, niet als een statisch, stilgelegd gegeven, maar zijn, als een voortdurend veranderend proces in het verstrijken van de tijd.

Een bijzondere opname is die, waar haar voormalige partner in de liefde en kunst, Ulay, onaangekondigd tegenover haar plaatsneemt — ze hebben elkaar op dat moment 22 jaar niet gezien, na een intensieve relatie van ruim 10 jaar, en Abramovic herkent hem niet meteen. Vanaf het moment dat zij hem wel herkent, gebeurt er van alles in haar gezicht, maar intussen zit ze zonder te doen te zijn met al die innerlijke veranderingen — ze is bezig te zijn, of beter misschien, ze is bezig onderhevig te zijn aan zijn. Ze wordt de hele tijd zijn. Ze is de hele tijd zijn aan het worden.

Wie het zijn als een bewegelijk proces wil beschouwen, en op dat punt ben ik nu gekomen met mijn ‘het de hele tijd worden van zijn’, kan op zoek gaan naar de onderliggende bewegingsproces-sturende formules en principes, en die zijn er, gewoon in de wiskunde — dat vermaledijde vak waarmee ik met eindcijfer 4 m’n middelbare-schooltijd op de valreep succesvol afsloot.

Had de Winkler Prins Scholengemeenschap in Veendam Michael S. Schneiders boek: “Ontdek en creëer zelf het universum – de tien archetypische bouwstenen van natuur, kunst en wetenschap”, centraal gesteld in haar wiskunde, was het mij ongetwijfeld beter afgegaan. In dit rijk geïllustreerde werk laat Schneider de geometrische manifestaties zien in de waarneembare wereld, vanaf de punt, de lijn, de driehoek, het vierkant, en zo maar door tot de tienhoek.

En bij de vijfhoek, de pentade, gebeurt het allemaal: de pentade ligt aan de basis van ontstaansprocessen, ligt ten grondslag aan het worden van het zijn. De vijfhoek is recursief, zowel wat vorm betreft, als bewegingsrichting. (Wikipedia: Recursie is het optreden van een constructie als onderdeel van zichzelf.)
Nu moet ik in taal doen, wat in één plaatje meteen duidelijk is, om dit te illustreren: wanneer je alle punten van een regelmatige vijfhoek met elkaar verbindt, krijg je binnen die vijfhoek een vijfpuntige ster te zien, waarin zich, binnen de kruising van de overstekende lijnen een nieuwe kleinere vijfhoek aftekent, waarvan de punten weer met elkaar kunnen worden verbonden tot een ster etc etc. De oorspronkelijke vijfhoek, waarmee we deze fonetische illustratie begonnen, vormt zelf, wanneer we zijn stervormende lijnen doortrekken tot waar ze elkaar kruisen, ook weer het hart van een grotere vijfpuntige ster, waarvan de punten weer een nieuwe grotere vijfhoek vormen etc etc.
Dat niet alleen: iedere losse driehoekvormige sterpunt (om de vijfhoek heen), kan ook weer als basis dienen voor een nieuwe vijfhoekige ster — als je al deze mogelijkheden gelijktijdig tekent in en om onze oorspronkelijke vijfhoek heen, krijg je een caleidoscopische, Esscheriaanse hoeveelheid aan mogelijkheden en zienswijzen. Het principe van de Fractals is hierop gebaseerd, je kunt in- en uitzoomen wat je wilt, je ziet steeds diezelfde basisvormen.

Nu kun je, binnen deze vijfhoek-vijfstercombinatie, ook allerlei lijnen van afnemende of toenemende lengte onderscheiden: en al deze lijnen binnen deze reeks staan steeds tot elkaar in dezelfde verhouding, zijn ook recursief. De verhouding van de grote tot de kleinere lijn, is hetzelfde als de verhouding van de gezamenlijke lijn tot de oorspronkelijk grote lijn.

Deze verhouding heeft het symbool “PHI”(een liggende ovaal met een hoofdletter I erin), maar we kennen hem ook als de uiterste en middelste rede, de godachtige verdeling, de voortdurende deling of, onder z’n bekendste naam: de gulden snede. Een staande rechthoek met deze verhouding wordt door de mens als mooiste rechthoek ervaren, en is makkelijk te vergroten of te verkleinen door er respectievelijk een vierkant naast te plaatsen, of er een vierkantje in te zetten, die dan een nieuw gulden snede rechthoekje als dakje krijgt — vergelijkbaar met de vijfhoek, en de vijfpuntige ster. Ook dit proces is naar believen herhaalbaar, met steeds dezelfde vorm als uitkomst.

Als je nu een ronde lijn om deze zichzelf vergrotende of verkleinende recursieve structuur tekent, krijg je de spiraalvorm zoals we die van de Nautulus-schelpen kennen, en van omhoog kolkende bloemkoolwolken, van de hoed van een doormidden gesneden champignon, van het schenken van romige koffiemelk in koffie en van het uitademen van sigarettenrook (zelfs bij het maken van een vuist (laten zien)) — kortom bij een wordende beweging, die zich zowel in materie manifesteert als in stromende processen — of beter gezegd, aan de basis van beide ligt, eraan voorafgaat.

Nu zijn we ongeveer aanbeland bij waar Pirsig in zijn boek: Zen en de Kunst van het Motoronderhoud, ophoudt. En ik ben nog maar net over de helft van mijn betoog. In deze roman houdt de verteller, tijdens een motorreis met zijn zoon, ook een soort van Sermoen, een Chautauqua, waarin hij nadenkt over de tweedeling Romantische Kennis en Klassieke Kennis en hoe die te verenigen: grof gesteld, als Romantische Kennis ziet hij de manier van kijken die zich beperkt tot de vorm en voorbij gaat aan de onderliggende processen, en als Klassieke Kennis de manier van kijken die zich beperkt tot de onderliggende processen en voorbijgaat aan de vorm. Met het begrip Kwaliteit probeert hij beide zienswijzen te verenigen, waarbij hij tot slot uitkomt op Kwaliteit als een aan het denken voorafgaand en op het leven vooruitlopend, en alles vormgevend, proces of entiteit. De stappen in deze gedachtegang illustreert hij daarbij door die te projecteren op het onderhoud en de onderhoudsgeschiedenis van zijn motor.

Waar hij faalt, ook voor hem zelf — de verteller gaat bijna aan zijn gedachtegangen ten onder, wordt krankzinnig, en zijn oude ik wordt uitgewist middels electroschock therapie — is dat hij deze gedachtegang niet op het leven zelf weet toe te passen, alleen op de (technische) producten van de rede, hoe fraai hij uiteindelijk ook de kwaliteit van vorm en het onderliggende proces weet te combineren.

Het leven zelf mist nog; ook bij mijn sturende, zelfregenererende recursiviteiten doorheen de tijd, die zich in ieder geval al, als bij Pirsig,  hebben gemanifesteerd in processen (stromen) en dingen (ogenschijnlijk gestolde stromen). We hebben al Pirsigs Kwaliteit, maar we missen nog de Kwantiteit, de absoluut meetbare exacte hoeveelheden, de gehele getallen. En deze zijn van fundamenteel belang bij het worden van zijn, bij het worden van ons’ wordende zijn.

De met het worden van het zijn samenhangende getallenleer vinden we in de rij van Fibonacci — en ik had u beloofd: hierna gaan we naar de battles van Eminem en de Letters van Utrecht, houdt dat vast, houdt dat vast. De rij van Fibonacci is de reeks getallen, waarbij het volgende getal steeds bestaat uit de som van de vorige twee. Dus je begint met 0 en 1, en dan krijg je 0 +1 = 1, 1+1=2, 2+1=3, 3+2=5, 5+3=8, 8+5=13, 13+8= etc etc
De rij is ooit bedacht om uit te rekenen, hoeveel konijnen je wanneer krijgt, als je er van uitgaat dat ieder konijn na een maand geslachtsrijp is en één nieuw konijn per maand op de wereld zet, dat ieder na een maand geslachtsrijp is en één nieuw konijn per maand op de wereld zet, dat ieder na een maand etc etc Je zou kunnen zeggen, de rij van Fibonacci is de maat van de ritmische vermeerdering van het leven. Bloemen bijvoorbeeld, hebben altijd een hoeveelheid bloemblaadjes die overeen komt met een getal uit de rij van Fibonacci. En zo is er meer.

U hoorde het misschien al, ook de rij van Fibonacci is recursief, en het is dan ook niet verwonderlijk, dat de verhouding van de laatste twee getallen uit de reeks, steeds dichter bij “PHI”, de gulden snede, komt, naarmate we verder in de rij komen. Ik stelde al dat de rij van Fibonacci de maat van het ritme van het leven vormt, en nu blijkt dat deze maat bijna naadloos opgaat in de mate van, ook levende, materievorming, die weer gezien kan worden als de ogenschijnlijk tijdelijk gestolde stromen die er aan ten grondslag liggen. En deze samenhangende vermenging van pentade,  spiraal en de rij van Fibonacci is alom aanwezig in de levende wereld om ons heen. Wanneer je een plant van boven bekijkt, zie je een omhoog stromende, zich spiralende verdeling van bladeren volgens het patroon van de Fibonacci-reeks.

Toen ik dit net gelezen had, een aantal jaren geleden, dacht ik even dat ik gek zou worden: het Vechtplantsoen waaraan wij wonen, was net aangepakt om er een natuurlijke Vechtoeverzoom van te maken, en overal kwamen als eerste de brandnetels en distels op, en deze zijn bijna het toonbeeld van alles wat ik net heb uitgelegd. Ik zag dus nergens meer stilstand, ik zag alleen het manisch omhoog kurketrekkeren van bio-massa, zag spiraalvormige ritmische verdelingen van bladeren en van zaden op zaadkegels, waar Escher nog een puntje aan had kunnen zuigen en ik zag dat het leven zelf één groot bewegen was, dat uit zichzelf voortsproot.

Vandaar dat ik deze week, toen ik aan het schrijven was voor mijn Sermoen, ben gekomen tot een recursieve definitie van zijn, die luidt: zijn is het continue worden van zijn.
In die zin kunnen we een boom ook nooit zien zoals hij is, omdat hij voortdurend bezig is zijn te worden. Ja, misschien als een houthakker de boom omhakt, dat we heel even, als het worden van zijn ophoudt en overgaat in het zijn van dood worden, dat we dan heel even de boom zien zoals hij dan is — die ene honderdste van een seconde waarin het worden van zijn eindigt en overgaat in verworden.

Zouden we het ‘worden van zijn’ zelf kunnen ervaren, op een wijze die vergelijkbaar is met dat ‘worden van zijn’? We kunnen het al een beetje beredeneren nu, misschien, een beetje aanvoelen, maar kunnen we het ‘worden van zijn’ ook daadwerkelijk ervaren?
Jazeker, in gedichten, en dan bedoel ik ook letterlijk: in de gedichten zelf.

Ergens aan het begin van dit millennium liep ik, met collega-dichter Ingmar Heytze, op de Culinaire Markt op het Neude. We gingen de tafeltjes langs om bezoekers te vergasten op wat geestelijk voedsel in de vorm van korte voordrachten. Een van de toehoorders vond dat het knap was, dat ik mijn gedichten uit het hoofd voordroeg, waarop ik zei: Oh, maar dat is helemaal niet zo moeilijk, dat gaat vanzelf. Toen ik het gedicht schreef, begon ik met regel 1, daaruit volgde regel 2 en daaruit volgde regel 3, tot ik klaar was. Als ik ga voordragen, hoef ik alleen maar regel 1 te onthouden, daaruit volgt dan regel 2, daaruit volgt regel 3 etc etc Bijna als een zelfgecreëerde rij van Fibonacci, waarvan je alleen de eerste twee getallen hoeft te onthouden, om een oneindige rij van getallen te kunnen reproduceren.

Bij gedichten, bij mijn gedichten althans, werkt dat echt zo, de eerste woorden, de eerste zinsconstructies, zijn inderdaad vergelijkbaar met de begingetallen uit de rij van Fibonacci, in die zin dat ook zij bepalen wat er verderop in het gedicht zal gebeuren, gestuurd door klank, betekenis en ritme.

Deze gedachtegang staat centraal in het fantastische essay: Het Schandaal van de Poëzie, van J.H. de Roder, dat in 2001 is opgenomen in zijn boek: Het onbehagen in de literatuur.
Hierin beschouwt hij poëzie als de missing link tussen ritueel en taal. Rituelen definieert hij daarbij als uitvoeringen van recursieve handelingen (in beweging of in klanken) waarvan de betekenis in het uitvoeren zelf ligt,  het zijn dat daarin ontstaat. Het worden van zijn, zou ik nu zeggen.
Dat is volgens De Roder de verklaring waarom mensen van poëzie genieten, ook al snappen zij haar betekenis niet, en poëzie genietbaar blijft, ook al is haar betekenis zonneklaar. Hij stelt dat poëzie neigt naar betekenisloosheid, door de onderliggende sturing van klank en ritme, zoals we die ook in taalbetekenisloze rituelen kunnen vinden. En deze oude rituelen die hij beschrijft, worden gestuurd door dezelfde soort recursieve processen, waarmee alles, zoals ik heb laten zien, om ons heen gestuurd wordt. Denk bijvoorbeeld aan het kinderliedje: De Bibelebontse Berg, onbegrijpbaar in zijn betekenisloosheid, maar bijna caleidoscopisch in zijn uitvoering. Maar, het moet gezegd, hoe de Bibelebontse berg, of welke lyrische tekst ook, het worden van zijn laat aanvoelen, aan het eind van het liedje stond daar altijd weer die houthakker met geheven bijl.

Nu zijn dichters zelf ook niet helemaal rechtlijnig bij de afwikkeling van hun Fibonacci-achtige taalconstructies, bij regel 4 kunnen ze ineens denken: wacht even, die zinsconstructie in regel 2 moet anders — je zou kunnen zeggen, ze verplaatsen in mindere of meerdere mate getallen uit de Fibonacci reeks naar links of rechts, zonder daarbij consequent de rest opnieuw uit te rekenen. Wie een gedicht leest kan dat bij close reading ook onderkennen, maar wie een gedicht beluistert, wordt tijdens dat luisteren continu meegezogen op de stukjes Fibonacci-reeks die het schaven en herschrijven hebben overleefd.

Veel dichter en zuiverder in de buurt van het ervaren van het worden van het zijn, komen we, wanneer we een freestyle hiphopbattle beluisteren, zoals die in Eminems film: 8 mile. Een lyrische constructie die niet van te voren geschreven is, maar ontstaat op het moment van uitvoeren zelf, gevoed door eerder uitgesproken beelden en taalconstructies en leunend op de grondslagen van rituelen. Waar een gedicht, in de woorden van De Roder, neigt naar betekenisloosheid, zou ik willen stellen dat bij een rap in een battle, de eerste impuls juist steeds betekenisloosheid is, die pas verderop, een paar woorden later, met een nog net te realiseren terugwerkende kracht, betekenis krijgt in een nieuwe aanzet tot de volgende betekenisloze impuls.

En hiermee komen we nu heel dicht bij het ervaren van het continue worden van zijn. Alleen staat daar dan, wanneer de rapper buigt voor het publiek, altijd weer die vermaledijde houthakker klaar en is de ervaring voorbij, oh, voorgoed voorbij.

En daarom, dames en heren, zijn we in Utrecht ook zo gezegend met de Letters van Utrecht, het wekelijks met een letter groeiende gedicht in de straatstenen van de Oudegracht. Het gedicht wordt grofweg iedere drie jaar voortgezet door een nieuwe dichter, als volgende getallen in de rij van Fibonacci, en ik mocht daarvan de eerste zijn, de 0 en de 1. De aanzet van niets naar het begin van alles.
De letters en woorden die er liggen, worden niet meer aangepast of veranderd, het gedicht ontvouwt zich als een heel trage soort van battle zonder tegenstander. Het gedicht voedt zichzelf in golvende patronen van betekenis en klank. De Letters van Utrecht zijn het worden van zijn zelf, iedere dag, week na week, maand na maand, jaar na jaar te ervaren voor wie er langsloopt. Het gedicht houdt niet op met het worden van zijn, het gedicht is het worden van zijn zelf en nergens is er een houthakker te bekennen.



| Created : Dec 12, 2013, 4:16 PM | Style : Background0, Font0, Size16 |