Kijken naar wolken van taal

In Martin Reints’ bundel Ballade van de winstwaarschuwing (2005), die was genomineerd voor de VSB-Poëzieprijs 2006 staat een gedicht — een versje, zou je op het eerste zicht denken — dat nogal bekritiseerd is in de aanloop naar de prijsuitreiking, waarschijnlijk om zijn ogenschijnlijke simpelheid en anders wel als de stok die gevonden moest om de hond mee te slaan. Het gedicht heet Lucht, telt drie regels en gaat als volgt: “Terwijl de wolken/ veranderen in andere wolken// drijven de wolken voorbij.

Een simpele mededeling, een manier van kijken naar een gebeurtenis, meer niet. Ik snap wel dat het legertje hondenmeppers over dit gedicht is gestruikeld; bij het gebruik van wolken in een gedicht liggen er al snel wuivende rietkragen in het verschiet en de altijd weer verdwijnende voetstappen op het strand of anders wel in de lucht vliegende vrije vogels — kortom: het gevaarlijke wereldje van de vrijblijvende clichés.
Martin Reints zal zelf ook geweten hebben dat dit gedicht in zijn soort naar een niemendalletje neigt — ik meen dat hij het oorspronkelijk in opdracht van de KLM heeft geschreven voor op een telefoonkaart, dus het is minimaal een goed betaald niemendalletje geweest. Toch heeft hij het opgenomen in zijn bundel als zijnde een serieus en heus gedicht, of laten we zeggen: hij heeft het geplaatst tussen allemaal andere serieuze en heuse gedichten. Niet voor niets natuurlijk.
Een van de bijzonderheden van deze bundel is het voorkomen van enkele gedichten in meerdere varianten. Het titelgedicht, Ballade van de winstwaarschuwing, kent twee varianten: de Ayler- en de Messiaen-variant en wordt voorafgegaan door drie losse, afzonderlijk getitelde gedichten, die elk een andere kijkwijze of variant vormen op of van dezelfde gebeurtenis. Wat je hier krijgt te lezen zijn steeds dezelfde elementen en gebeurtenissen in meerdere varianten — hetzelfde gedicht bijna, maar dan steeds anders.
Dat plaatst het gedicht Lucht, dat direct na deze varianten-serie staat afgebeeld, in een iets ander daglicht: dat van een handleiding avant la poème. Nog steeds simpel natuurlijk, maar nu wel cruciaal: we lezen ‘gedichten’ voor ‘wolken’, en zien wat we net daadwerkelijk hebben meegemaakt — gedichten die in andere gedichten veranderen en voorbijdrijven. Poëzie niet als een vaststaand gegeven, maar als een veranderlijke mogelijkheid. Dus niet: dit is dat ene gedicht dat enkel zus of zo bestaat, maar: dit is een mogelijkheid tot dat gedicht binnen de verzameling mogelijkheden tot dat gedicht.

Een wolk van een gedicht
Een fraaie implicatie overigens, het gedicht als wolk. Als er al een metafoor voor poëzie wordt gebruikt is dat doorgaans een scherp afgebakende eenheid: een huis, of een (moes)tuin bijvoorbeeld, waarin de tuinier (lees: dichter) worstelt met de natuur (lees: taal) om er cultuur (lees: poëzie) van te maken: als er geoogst (lees: gepubliceerd) kan worden is de poging geslaagd.
Als we nu gedichten als wolken gaan bekijken (wat Reints in Lucht voorstelt), krijgen we als daaruit voortvloeiende consequentie dat een gedicht nooit volledig definitief is, maar continu transformeert tot ‘andere’ gedichten (wat Reints met zijn bundel in praktijk brengt). Het gedicht wordt hierbij dus niet beschouwd als een scherp afgebakende moestuin, maar als een continu veranderende amorfe letterwolk, een toevallige mogelijkheid binnen de vele vergelijkbare mogelijkheden. Een nooit afgerond geheel; je kunt er iets aan veranderen en je hebt weer een andere, en tegelijkertijd ook zelfde, wolk. De inhoud van een wolk staat per definitie vast — waterdamp — maar de vorm kent vele, vele varianten, waarbij het kijken ernaar als vanzelfsprekend Rorschach-achtige projecties genereert. Je ziet in een wolk, wat jij in die wolk ziet, iemand anders maakt er weer iets geheel anders van en allemaal drijven ze voorbij. De betekenis zit niet in het gedicht, maar in de lezer.

Zoals je gedachtenloos kunt blijven kijken naar wolken, gemakshalve voorbijgaand aan de waterdamp, zo kun je ook kijken naar gedichten, gemakshalve voorbijgaand aan de woorden en betekenissen ervan. Iedere bundel verandert daarmee in een soort van wolkenformatie. Een sonnettenbundel kent dan bijvoorbeeld een egaal wolkendek, binnen de bundels met vrije verzen zijn wat meer grijstinten zichtbaar, maar visueel is de gemiddelde bundel nogal gelijkvormig — op zijn best een blauwe lucht met schapenwolkjes, de ene na de andere, ze lijken allemaal op elkaar en zijn elk ook net iets anders, maar veel vaker is het grijsheid troef.

Kijklezen
Nu staat het kijken naar gedichten in principe op gespannen voet met het lezen ervan. Beide gebeuren met de ogen, maar daar houdt de overeenkomst mee op. Wie poëzie leest besteedt geen wezenlijke aandacht aan het kijken ernaar, er worden betekenissen geregistreerd meer niet, er wordt bijna vergeten dat er gekeken wordt. We gebruiken onze ogen voor het lezen van gedichten, maar de kijkfunctie — het echte zien — lijkt daarbij uitgeschakeld. De ogen worden bijna oneigenlijk gebruikt — heel anders dan bij het kijken naar een landschap met een wolkenlucht erboven.
Wie blind is kan dezelfde poëzie (tot dezelfde betekenissen komend) met de vingers lezen dankzij braille: je zou kunnen stellen dat het voelen op dat moment ook gereduceerd is tot betekenissen registreren en zich heel anders verhoudt tot het voelen aan iemands lichaam of kleding. Aan het visuele element — hoe een gedicht er uitziet — van poëzie wordt voorbijgegaan, we zijn gefocust op de inhoud, die we enkel lezend tot ons nemen. Je zou lezen beter kunnen beschouwen als een auditieve bezigheid — als het op laten klinken in het hoofd — die met de ogen geschiedt. Ogen (of vingers) die dan dienen als een audio-medium, een innerlijke cd-speler.
Natuurlijk, er zijn de sturende visuele details: de breedte van de strofes, de witregels, het al dan niet gebruik van kapitalen en leestekens, de veelbetekenende enjambementen waarbij betekenissen blijven haken aan het einde van een regel. Maar ik zou die details eerder onder de auditieve elementen willen scharen dan onder de visuele: zij sturen het lezen (en innerlijk luisteren) en het tempo ervan, de stiltes ertussen, niet het kijken ernaar. Om bij de wolkenwereld te blijven: het zijn de variaties in het grijs bij een egale wolkenlucht.

Pas als een gedicht visueel nadrukkelijke en dus afwijkende eigenschappen meekrijgt — die met één blik op papier duidelijk zijn — komen we er tot onze schrik achter dat we ook blijken te kijken, in plaats van alleen te lezen. En ik heb het idee dat er de laatste jaren een bescheiden opleving is van poëzie waarbij je je al bladerende in de bundels niet doorheen een egaal wolkendek worstelt, maar waarbij je allerlei verschillende opvallende wolkenformaties tegenkomt, waarbij je echt je ogen de kost moet geven.
Gemakshalve ga ik even voorbij aan poëzie die voorzien is van illustraties: variërend van Anneke Claus en Y. Né die in hun bundels eigen tekeningen aan hun oeuvre toevoegen, die apart op een pagina staan — gelijkwaardig aan de gedichten zelf, of H.H. ter Balkt die in Anti-canto’s en De Astatica (2004) allerhande illustratiemateriaal in en rond de gedichten zelf laat opnemen, als gelijkwaardig onderdeel van die gedichten. Nee, ik concentreer me hier op de visuele beeldbepalers die van tekst zelf gemaakt zijn. Wolken van taal waarnaar je gedachtenloos kunt blijven kijken.

Objecten
Het letterlijkste zijn die wolken te vinden in de bundels van Henk van der Waal, waarin de gedichten bijna als geometrische objecten voorbij drijven. Voor iedere afdeling weer een ander eenvormig geometrisch object — die doen denken aan ijsschotsen, kristallen, blokken, tot aan, nou ja, wolkenformaties. Van der Waal betoont zich net zo vormvast als de gemiddelde sonnettendichter, alleen kiest hij steeds zelf weer een andere vorm. Geen versvormen (lezen), maar geometrische vormen (kijken), waarbij ik Van der Waal waarschijnlijk beledig als ik zeg dat ik het interessante kijkpoëzie vind. In ieder geval, bij Van der Waal zijn de gedichten overduidelijk ook zelfstandige visuele objecten.
Rozalie Hirs onderwerpt zich in haar laatste bundel, [Speling] (2005), aan een vergelijkbaar, zij het minder extreem, vormexperiment: die van de groeigedichten. Ieder gedicht is een regel langer dan het voorafgaande, zodat je al bladerende als het ware langzaam de lucht boven je ziet dichttrekken, alsof er een hoge drukgebied nadert. Haar afsluitende, en dus langste gedicht, ineens extreem veel langer zelfs, is letterlijk over tien pagina’s uitgerekt: zowel in de lengte als in de breedte. Het ziet er uit als een soort druilerige motregen die de gehele bladspiegel vult, waarbij de woorden, en soms zelfs afzonderlijke lettergrepen, hun eigen ruimte innemen ten opzichte van elkaar. Met veel herhaling, alsof het gedicht al stotterend is neergeschreven. Dit is geen geometrische vorm, maar een drijvende woordenwaas.
Kinderlandschappen (2002) van Wilbert Cornelissen is hiermee enigszins vergelijkbaar. Zijn gedichten zijn als rechttoe-rechtaan prozablokken op de pagina’s gezet: eerst een afdeling met brede blokken op de onderste helft van de pagina’s, dan een afdeling smalle verticale balken in het midden, soms kleine blokjes, soms paginalange. Het wit om de gedichten heen krijgt zo veel nadruk, en geeft de korte smalle gedichten in het tweede deel bijna het karakter van schilderijen aan een muur.

Taallandschap
Het betreft tot nu toe visueel in het oog springende gedichten die daarbinnen nog wel duidelijk als afgebakende eenheden zijn te onderscheiden — als de eerder genoemde moestuinen. Het zijn overduidelijk gedichten, ze zien er alleen wat merkwaardig uit. Je kunt ze lezen als gedicht of je kunt ze bekijken als object — er is de leesvariant, er is de kijkvariant. Soms is die scheiding echter niet zo makkelijk te maken.
Ik ontkom er niet aan hier mijn eigen bundel Klein Oera Linda (2006) te berde te brengen. Hierin zijn de gedichten gelardeerd met allerlei extra teksten: voetnoten in de gedichten uit het oorspronkelijke, historische Oera Linda boek, op de achtergrond geprojecteerde opgeblazen op zichzelf staande strofes en nog meer. Deze toegevoegde teksten zorgen ervoor dat de gedichten, of delen ervan, soms naadloos overgaan in andere teksten. De gedichten staan in een tekstlandschap waarvan de randen niet altijd even makkelijk van de gedichten te onderscheiden zijn — en vice versa. Er ontstaan verschillende leesvarianten, de teksten interfereren, maar de gedichten an sich zijn een vaststaand gegeven en blijven dat — overwoekerde moestuinen hoogstens.
Het nauwst aansluitend bij Reints’ Ballade van de winstwaarschuwing (2005) met zijn verschillende gedicht-varianten, is de poëtisch-visueel baanbrekende bundel van Tonnus Oosterhoff: Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2002), waarvan de titel doorklinkt in Reints zojuist gememoreerde gedicht Lucht. Op de bijgeleverde CD-ROM, kunnen enkele van Oosterhoffs zogeheten ‘bewegende gedichten’ worden afgespeeld op de computer. Reints’ Lucht zie je dan daadwerkelijk gebeuren in het werk van Oosterhoff: op het beeldscherm vinden langzaam veranderende gedichten plaats — zinsdelen komen schijnbaar spontaan te voorschijn, veranderen in andere zinsdelen, groeien uit tot strofen, of krimpen juist in tot een enkel woord in een nieuwe constellatie en veroorzaken daarbij continu nieuwe tijdelijke gedichten die overgaan in andere gedichten. Ieder van deze ‘bewegende gedichten’ zou je bijna als een mini-bloemlezing kunnen beschouwen. Een vernieuwende poëzievorm, zeker — maar binnen de mogelijkheden van computers eigenlijk wel logisch. Eerder mag het bevreemdend heten dat veel van de digitale poëzie tot nu toe zo zwaar leunde op de papieren wetten met hun te lezen kop en staart. Bij Oosterhoffs ‘bewegende gedichten’ is het niet zozeer bestaande poëzie die beweegt, maar poëzie die ontstaat dankzij en binnen deze taalbeweging. Het is kijken en lezen tegelijk (als een versnelde wolkenlucht zoals je die op tv wel eens ziet), maar wel geleid kijken en lezen — het is Oosterhoff die bepaalt wat er wanneer en hoe gelezen kan worden en wat er te zien valt.

Bewegende gedichten
Maar op de een of andere manier is wat Oosterhoff in de bijbehorende ‘ouderwetse’ papieren bundel doet veel verrassender en revolutionairder te noemen dan wat er op de CD-ROM gebeurt. Hij slaagt er in zijn bundel in een soort van beweging te creëren op het papier zelf, waarbij er, om Reints er weer bij te halen, niet zozeer verschillende varianten van gedichten naast elkaar staan, maar de gedichten in zichzelf verschillende varianten herbergen. Binnen het gedicht verandert het gedicht in een ander gedicht en gaat voorbij.
Dit doet Oosterhoff door aan enkele gedichten handgeschreven teksten toe te voegen, over de gedrukte teksten heen. Soms alsof het een gecorrigeerde drukproef betrof, waarbij de handgeschreven teksten als correctie op doorgehaalde, maar nog te lezen, strofes dienen. Soms ook zijn de handgeschreven teksten toevoegingen, stukjes extra gedicht: zoals je bij wolken soms andere wolken ziet komen die erin opgaan. Het is aan de lezer, binnen deze ogenschijnlijke warboel — die soms naar een knoeiboel neigt — zijn eigen variant te kiezen. Waarbij gemeld dient te worden, dat de lezer dit pas kan doen nadat hij gekeken heeft zonder te lezen, om te zien hoe de verschillende tekstmogelijkheden zich tot elkaar verhouden.
Het grappige aan deze bundel is dat Oosterhoff dit procédé het duidelijkst illustreert in een gedicht waar geen handschijverij bij komt kijken — een klassiek gezet leesgedicht zeg maar. Het betreffende gedicht heet Kritiek en begint met een strofe die cursief staat afgedrukt, dit blijkt het oorspronkelijke gedicht in de eerste versie of variant te zijn. Vervolgens wordt beschreven hoe ene Wally dit gedicht leest en er wat aanmerkingen bij maakt — er ontspint zich zelfs een kleine discussie tussen de dichter en Wally — dan komt de dichter met de oplossing: “… ‘Als ik wat jij zegt erbij zet…’/ ‘Ja,’ vond ze, ‘daarvan wordt het [gedicht] anders,’” Waarna overigens in de laatste strofe blijkt dat Wally het alsnog weer anders heeft begrepen dat dat het bedoeld was — de betekenis zat in de lezer Wally.
Hoe dan ook: voorgaande discussie lijkt op een bepaalde manier in veel van Oosterhoffs gedichten terug te keren, waarbij de oplossingen handgeschreven zijn toegevoegd en de gedichten zich daadwerkelijk als de wolken van Reints gedragen. De gedichten veranderen in andere gedichten en drijven voorbij — de beschouwer als toeschouwer achterlatend, ingespannen nalezend of gedachtenloos nakijkend, of misschien wel allebei.

Ruben van Gogh
Vrescheen eerder in Passionate.