Flessenpost XVI

DUBBELTJE

Ik heb een dubbeltje gevonden
in een drukke winkelstraat.
Even wist ik mij verbonden
met die domme onverlaat

die dat ding daar had verloren,
daar waar ik het vinden kon.
Bijzonderheid leek mij beschoren,
nu ik het toeval overwon.

Zoveel mensen, blijkbaar blinden,
gingen mij dat muntstuk voor,
en uitgerekend ik moest vinden
wat die ander daar verloor.

Ik stak het dubbeltje tevreden
in mijn broekzak zonder naad;
daar is het toen uitgegleden,
ergens in die winkelstraat.

Uit: De Man van Taal (Prometheus, 1996)

Much ado about nothing. In mijn middelbare schooltijd had ik niet veel op met poëzie, ik wilde gewoon striptekenaar worden. Ik herinner me ook geen docenten die mij buitensporig gegrepen hebben voor een of ander vakgebied. Pas tijdens mijn studie Sociale Geografie was er een docent die echt belangrijk voor me was, in de zin dat ik daar iets blijvends van heb opgestoken, iets wat nog altijd mijn blik bepaalt, waar ik ook ben. En dan heb ik mijn studie nog niet eens afgemaakt ook.

Wel herinner ik me nog een les Nederlands, die in zijn geheel in het teken stond van Nijhoffs gedicht: Het huwelijk. In dit gedicht beziet de dichter zijn vrouw die bezig is met koffiezetten in de keuken, en daar helemaal in opgaat. De kans inziend dat hij een spontaan antwoord zal krijgen, vraagt hij haar: “Waarover wil je dat ik schrijf?” En in een, ik zou zeggen, bijna Goddelijk beschreven beeldende scène antwoordt zij dan: “Ik weet het niet.” Ik vond het fantastisch dat we een heel lesuur bezig waren geweest met een verhandeling die leidde tot een ‘ik weet het niet’.

Zo’n gevoel heb ik ook altijd bij dit gedicht gehad, geschreven tijdens mijn studietijd. Een heel gedoe met handelingen, bespiegelingen en gebeurtenissen, allemaal om dat ene kleine muntstuk, dat nog eens verdwijnt ook. En tegelijkertijd was juist dit gedicht een van m’n ‘grote’ gedichten. Vrienden hadden het erover (“Ik zag laatst een dubbeltje, en dacht: oh ja, wat moet ik nu ook alweer doen van Ruben, wat schrijft het gedicht me voor?”), het stond prominent in de  Universiteitskrant, m’n huisbaas had het ingelijst met een gevonden dubbeltje in z’n woonkamer hangen en enkele jaren geleden appte m’n beste vriend nog: “Vriend! Ik ruimde de schuur van m’n moeder op en je raadt nooit wat ik vond!” Gister lag er eentje op ons aanrecht en het viel me op hoe ongelooflijk klein ze zijn.

Ruben van Gogh

Speciale uitgave: Engel achter glas – een handgeschreven en gebonden kleinood om het culturele zwaar weer door te komen.